Het Indische verhaal van mijn vader,
moeder en hun vier kinderen
Dit verhaal sluit aan op dat van mijn grootvader Lijbert Rozendaal. Waar zijn Indische jaren eindigden in 1940, begint het verhaal van mijn vader Paul Rozendaal opnieuw in 1946 — in een verscheurd, chaotisch en veranderend Nederlands‑Indië.
Oorlogsjaren in Nederland (1940–1945)
Mijn vader bevond zich tijdens de Tweede Wereldoorlog niet in Indië, maar in bezet Nederland. In 1939 werd hij opgeroepen voor de Algemene Mobilisatie en diende hij als commandant bij het luchtafweergeschut in Bergen aan Zee. In de meidagen van 1940 schoten zij een Duitse bommenwerper neer die verderop in zee stortte.
Toen de Duitse bezetter in mei 1942 de Leidse Universiteit sloot, kwam zijn studie tot stilstand. In 1944 moest hij — samen met zijn broer Jaap — onderduiken om te ontkomen aan de Arbeitseinsatz. Ze verborgen zich onder de vloer van hun huis in Haarlem en ontliepen zo ternauwernood een Gestapo‑zoekactie.
Mijn moeder, Carla Koentze, ontwikkelde in deze jaren haar talent voor tekenen en handwerken. Ze behaalde zelfs een lesbevoegdheid. Later in Rotterdam werd het maken van karakterpoppen haar grote passie.
Het gezin had het zwaar in de oorlogsjaren; de oudere kinderen liepen soms mee in de hongertochten om voedsel te bemachtigen.
Liefde, huwelijk en vertrek naar Indië (1945–1946)
Na de bevrijding kon mijn vader eindelijk afstuderen. Hij ging werken bij de Distributiedienst in Den Haag, waar hij mijn moeder ontmoette. Ze verloofden zich op 1 juli 1945 en trouwden in 1946.
In datzelfde jaar vertrokken zij — apart van elkaar — naar Indië. Vader ging vooruit om “kwartier te maken” en werk te zoeken. Nederland deed een dringend beroep op jonge Nederlanders om te helpen bij de wederopbouw van het koloniale bestuur.
Mijn moeder volgde later met de ms Sibajak, op een overtocht vol vrouwen en kinderen die hun echtgenoten achterna reisden. Ze vond het spannend, maar ging met moed en vertrouwen.
Medan: rechtspraak in een chaotische tijd (1946–1949)
Vader werd benoemd tot Substituut Officier van Justitie (Auditeur‑Militair) bij de Temporaire Krijgsraad in Medan. Zijn taak was zwaar: het vervolgen van Japanse en Koreaanse oorlogsmisdadigers en leden van de gevreesde Kempeitai.
Hij moest meerdere executies bijwonen van door hem aangeklaagde en door de rechtbank ter dood veroordeelde personen. Anderen werden vrijgesproken wegens gebrek aan bewijs — een frustrerende maar juridisch correcte uitkomst.
De periode na de Japanse capitulatie en de Proclamatie van de Indonesische onafhankelijkheid (17 augustus 1945) was chaotisch. De Bersiap bracht extreem geweld, vooral tegen Indische Nederlanders en andere niet‑Inlanders. Hoewel het ergste geweld in 1946 afnam, bleef de situatie gespannen.
Oom Jaap: techniek, plantages en vertrek naar Rhodesië
Oom Jaap, die in Nederland de HBS en MTS had afgerond, vertrok in 1947 naar Indië. Hij werkte als machinist op de sisalfabriek Laras en later op de palmoliefabriek Tindjowan. In 1952 keerde hij terug naar Nederland vanwege de toenemende anti‑Nederlandse sentimenten, maar vertrok al in 1953 naar Zuid‑Rhodesië (nu Zimbabwe), waar hij zich in Salisbury vestigde.
De basis voor de latere stoomtreinen hobby van de beide broers:
1949: Vader en Moeder (rechts op de foto) met hun eerstgeborene Roel op moeder's schoot tijdens bezoek bij Oom Jaap en Tante Chris op de plantage Laras (links op de foto, ook met hun eerstegeborene Robert)
Een typische kampong (dorp) met kali (rivier)
Een mislukte poging tot advocatuur (1949–1950)
Na de soevereiniteitsoverdracht in december 1949 probeerde mijn vader als zelfstandig advocaat te werken. Maar Europeanen — vooral Nederlanders — werden in toenemende mate geweigerd, genegeerd of geboycot. Hij kreeg geen voet aan de grond.
In november 1950 keerde hij gedesillusioneerd terug naar Nederland, samen met mijn moeder en hun eerste kind, met de ms Johan van Oldenbarnevelt.
Terug naar Indonesië: AVROS en een nieuw bestaan (1952–1957)
Toch bleef het trekken. In 1952 keerde mijn vader terug naar zijn geliefde Indonesië. Hij kreeg een functie bij de AVROS (Algemene Vereniging van Rubberplanters ter Oostkust van Sumatra), eerst als 3e en later als 2e secretaris. Zijn kennis van Adat‑recht en Indisch agrarisch recht kwam hier uitstekend van pas.
In 1957 werd hij door AVROS uitgezonden naar Jakarta om de belangen van de plantage‑maatschappijen te behartigen richting de Indonesische overheid.
Mijn broer Roel herinnerde zich uit deze periode een incident waarbij hij met Hollandse vriendjes in conflict kwam met jongens uit de kampong. Er werd met stenen gegooid. Toen Roel naar huis vluchtte, kreeg hij van mijn vader een pak slaag — tot zijn grote vernedering. Maar het was een wijs besluit: in die tijd namen de anti‑Nederlandse sentimenten dagelijks toe en geweld lag op de loer.
Zwarte Sinterklaas en de gedwongen repatriëring (1957–1958)
Op 5 december 1957, tijdens de Nieuw‑Guinea‑crisis, verklaarde de Indonesische regering alle Nederlanders tot ongewenst vreemdeling. Het was de climax van maandenlange anti‑Nederlandse acties.
Ons gezin moest halsoverkop vertrekken.
Wij waren toen:
Een eerste dochter, geboren in 1947, was helaas kort na de geboorte overleden aan een open ruggetje.
Op 29 januari 1958 vertrokken wij met de ms Oranje naar Nederland. Moeder smokkelde — met gevaar voor eigen vrijheid — harde guldens het land uit door ze in haar schoudervullingen te naaien. Gelukkig had AVROS ook een spaarpotje in Nederland opgebouwd.
Boven een zitting van de Krijgsraad en
links het gevolg daarvan
De leden van de Temporaire Krijgsraad in Medan.
Het rode pijltje wijst naar mijn vader Mr. P. Rozendaal
Bron : Niod
Een nieuw leven in Nederland (1958–2008)
We kwamen terecht in een contractpension aan de Zomerluststraat 20 in Haarlem — dezelfde straat waar opa en oma al sinds 1940 woonden.
Mijn eerste herinneringen stammen uit deze tijd: spelen met neefjes, de warmte van familie, en een kinderlijke onwetendheid over de moeilijke omstandigheden waarin repatrianten verkeerden.
Daarna volgden verhuizingen naar:
Een auto‑ongeluk in Zuid‑Afrika maakte hem later arbeidsongeschikt.
Mijn ouders verhuisden uiteindelijk naar een seniorenflat in Almere‑Haven, waar mijn broer Wouter en zijn vrouw Hermieke hen liefdevol ondersteunden.
Vader overleed in 2008, moeder in 2013.
Terug naar Indonesië
Zelf ben ik nog enkele keren teruggegaan naar Indonesië, onder meer naar mijn geboortestad Medan. Dat waren echter verblijven van maximaal 2 á 3 dagen, veel te kort dus.
Daarom ben ik in september 2025 maar liefst 3 weken naar Medan gegaan om alles nog eens rustig te gaan bekijken en om in de omgeving verschillende uitstapjes te maken o.m. naar de havenstad Belawan (niet veel aan) en Brastagi aan het Toba-meer, waar de Europeanen, en dus ook ons gezin, indertijd naar toe gingen voor verkoeling en vakantie.
De Rechtbank leek de tand des tijds goed doorstaan te hebben. Ook de AVROS‑gebouwen in Medan staan er nog steeds - en prachtig gerenoveerd. In lunchroom Tip‑Top proefde ik nog steeds dezelfde sfeer die mijn ouders moeten hebben gekend.
Hoewel ik bij de repatriëring slechts vier jaar oud was, voelde ik tijdens die reizen sowieso telkens een "déjà vu"-achtig gevoel: de hitte, de geuren, de mensen, de plekken waar de tijd leek stil te staan, heel bijzonder…".
Tot slot
Ik heb altijd willen begrijpen waarom mijn vader — ondanks alle gevaren, spanningen en teleurstellingen — twee keer terugging naar Indonesië. Misschien hoopte hij telkens dat het allemaal wel zou meevallen. Misschien was het zijn diepe verbondenheid met het land waarin hij was opgegroeid.
Wat ik wél weet: veel repatrianten keerden nooit meer terug. Ze wilden het Tempo Doeloe‑gevoel bewaren zoals het was.
Vader aan het werk voor de A.V.R.O.S.
COPYRIGHT
Deze website is het geestelijk eigendom van
de Stichting Nederlands-Indië & de Indische Verhalentafel
De inhoud van deze website mag niet gereproduceerd of gekopieerd worden, zonder de schriftelijke toestemming van de Stichting Nederlands-Indië.
Copyright © All rights reserved Stichting Nederlands-Indië
&
De Indische Verhalentafel